Inlogformulier  

   
   

Materiaal Witvis

Inleiding
Gemiddeld kan men stellen dat een klassieke lijnanderhalve keer zo lang is als het water diep. Dat betekent dus 2/3 inhet water en 1/3 eruit als slaglijn. Voor wie op stilstaand water (vijvers en plassen) vist, volstaat een dobber met een loodvraag van0,5 tot 1,5 gram. Op stromend water (kanalen en grote rivieren) kan datwel eens tot 3 gram oplopen. Het grootste deel van de in de handel aangebodendobbers zijn peervormig, druppelvormig of staafvormig. Ze zijn indien goed opde lijn geplaatst en fijn uitgelood allemaal even beetgevoelig.


Dobbers
Vissen is een heel eigenaardige sport. Het lijkt rustgevend, maar toch is steeds weer, voor de visser zelf dan, spannend uitkijken tot de dobber ondergaat. Er is niets spannender dan geduldig te zitten wachten tot de dobber voor de eerste maal kopje onder duikt. Rust en spanning in één en dezelfde sport op één en hetzelfde moment. De spanning wordt aangewakkerd door het geduld dat uitgeoefend wordt. Waar blijft die eerste beet? Een belangrijk attribuut op de lijn is de dobber. De dobber dient ten eerste om de beet te verklikken, en ten tweede om een indicatie te geven van de omstandigheden, staat er veel stroom, is er onderstroming aanwezig.

Er zijn nogal wat verschillende beetverklikkers, maar ze zijn onder te brengen in twee groepen: stilstaand/traag stromend water en stromend water. Een dobber bestaat, naast de bevestigingsmaterialen, uit drie onderdelen: de onderantenne, het drijflichaam en de bovenantenne. Voor deze onderdelen worden diverse materialen gebruikt, met geheel verschillende eigenschappen. Zo is de onderantenne vaak van metaal, hout of carbon gemaakt, het drijflichaam van de dobber meestal van balsahout en de bovenantenne van kunststof, hout, metaal of carbon.

  • Dobbers voor stilstaand en traag stromend water

    Voor stilstaand water zijn de lange slanke dobbers uitermate geschikt, een echte allrounder zijn diegene met een drijflichaam in de vorm van een waterdruppel of een peervorm met een lange, metalen kielpen en een antenne van kunststof. Deze is inzetbaar in stilstaand water en in traag stromend water. De onderstaande tabel kan als handvat worden gebruikt. Hoe minder de stroming is, hoe slanker een dobber en langer het drijflichaam kan zijn. Dit doe je omdat je met ene grotere druk te maken hebt die een te lichte dobber scheef doet staan.

    Water diepte & Drijfvermogen

    tot 1 meter: 0,25 tot 0,50 gram
    van 1 tot 2 meter: 0,50 tot 0,75 gram
    van 2 tot 3 meter: 0,75 tot 1,50 gram
    van 3 tot 5 meter: 1,50 tot 2,00 gram

  • Dobbers voor stromend water

    In stromend water wordt voornamelijk de bolronde modellen met een hoog drijfvermogen gebruikt met een extra lange kielvoor stabiliteit. Het lijnoogje zit helemaal bovenaan de dobber, zodater bij het vertragen maar weinig van het dobberlijfje wordt getild(i.v.m. de beetregistratie). Als de dobber door destroomdruk erg scheef of zelfs plat op het water komt te liggen, doenwe er meestal goed aan een zwaarder exemplaar te monteren. Pas als weconstateren dat de dobber fier rechtop de stroomdruk weerstaat hebbenwe het goede exemplaar te pakken. Hoe meer de stroming is, des tehoger moet drijflichaam geplaatst zijn. Drijfvermogen al naar gelangde stroomsterkte tussen de 2 en 8 gram. Bij extreme gevallen kan erzelfs met 30 gram zware dobbers worden gevist.

Een belangrijk onderdeel is de onderantenne, de waterdruppel of een bolrond model met een lange onderantenne staat veel stabieler in het water dan een soort genoot met kortere antenne. De lengte van de onderantenne moet toch minimaal anderhalf keer de lengte van het drijflichaam lang zijn. Om te voorkomen dat de onderantenne bij het verschuiven op de lijn ombuigt of afbreekt, wordt de kunststof- carbon-, of metalen onderantenne voorzien van drie rubber slangetjes. Het onderste slangetje mag zelfs aan de onderkant 2 tot 3 cm. uitsteken, dat voorkomt in de war raken van de montage bij de inworp.

De antenne moet goed zichtbaar zijn, daarom is het belangrijk om antennes van verschillende kleuren bij te hebben, zodat als het nodig is, er een andere antenne op de dobber gezet kan worden. Dit kan natuurlijk alleen op beetverklikkers die de mogelijkheid hebben om de antenne te verwisselen, daarom kan het ook geen kwaad om dobbers met verschillende kleuren antennes bij te hebben.

De lijn wordt pas op de visplek op de juiste lengte gebracht. Tijdens het vissen dient de afstand tussen hengeltop en dobber circa één tot anderhalve meter te bedragen.


Uitloden
Vissers met de vaste hengel hebben precies afgestelde dobbers nodig. Om tijd te besparen is het raadzaam dit thuis al te doen. Uitloden doet men met staafloodjes,loodhagel (zacht lood) voor dobbers met een drijfvermogen van minder dan 1 gram lood of olivette-loodjes bij een hoger drijfvermogen. Dobbers met minder dan vier gram drijfvermogen kunnen worden uitgelood met een olivette die 0,25 gram lichter is dan het desbetreffende drijfvermogen. Het restant wordt met fijne nr. 10 loodhagels uitgelood. Draag de dobber meer dan vier gram, wordt het olivette lood zelfs 0,5 gram lichter gekozen. Het resterende gewicht wordt dan gebruikt om het geheel fijn af te stellen door vijf kleine loodhagels onder het olivette lood te bevestigen die naar wens verschoven worden, twee andere nog kleinere loodhagels tenslotte boven het hoofdlood klemmen.

De dobbers kunne thuis het best in een plexiglas koker uitgelood worden. Om de dobbers nog gevoeliger uit te loden, wordt er afwasmiddel in het water gespoten. Dit neemt de oppervlakte spanning weg. De antenne moet zo uitgelood worden dat ze nog juist zichtbaar is. Alleen zo is de loodzetting gevoelig genoeg voor de veeleisende witvisser.
Voor een staandevisserij (voorn) vist men overwegend met gespreid lood en voor liggend vissen (brasem-zeelt) met gegroepeerd lood op 30 cm boven de haak. Bij heichtknijpen van het lood zorgt men ervoor dat het onder lichte druk nog kanverschoven worden op de lijn zodat we het kunnen verschuiven in functie van deeisen van de visserij. Bij het uitloden dienen we ervoor te zorgen dat nogslechts de antenne van de dobber boven water uitsteekt.

Twee basiszaken moeten webij de loodplaatsing zeker onthouden:

  • Hoe dichter het lood geconcentreerdis, hoe sneller de lijn en dus het aas doorzakt.
  • Hoe dichter het lood geconcentreerdis, hoe gevoeliger de beetregistratie, maar....... hoe groter de weerstanddie de vis ervaart. Als de vis gretig bijt is vooral bij de voornvisserij geconcentreerd lood zeer rendabel. Als de vis echterzeer behoedzaam aanbijt kan het beter zijn het lood te spreiden tussendobber en haak.

Om dobbers juist af te stellen kunnen we gebruik maken van de onderstaande basis-uitlodingen. Elk van deze vier uitloodpatronen heeft een specifiek doel gekoppeld aan de visomstandigheden:

  • Gegroepeerde loodzetting:
    Deze loodzetting waarbij al het lood (meestal een druppellood) op één plaats op de lijn staat, is nodig wanneer we tijdens bodemvisserij het aas echt onbewegelijk moeten aanbieden. Het druppellood wordt tussen loodhagels vastgezet en met die hagels stelt men ook de dobber af. Gebruik niet teveel loodhagels, maximaal drie onderaan en twee bovenaan het looddruppel.
  • Allround loodzetting:
    Een ideale uitloding om het aas juist tegen de bodem of juist van de bodem aan te bieden. Men kan er ook mee tegen de bodem vissen indien men het verklikkerloodje juist tegen de bodem laat tikken. Het grootste deel van het benodigde lood groeperen we twintig centimeter van het verklikkerloodje.
  • Soepele loodzetting:
    Indien we het aas op een zo natuurlijke manier naar beneden willen laten zakken of om van de grond of tussen twee waters te vissen, dan is deze loodzetting aan te bevelen. Voor ieder stilstaand water is het een uitstekend uitlodingspatroon. Het bovenste gegroepeerd lood brengt het aas op diepte en de drie gespreide loodjes onderaan laten het aas mooi op visdiepte.
  • Soepel gegroepeerde loodzetting:
    Deze manier van uitloden is ideaal voor een bodemvisserij in kanalen en zacht stromend water. Ze bestaat uit drie elementen: een deel gegroepeerd lood om snel diepte te bereiken; een vrij groot verkliklood dat ervoor zorgt dat het aas beneden blijft als we de lijnopzet in de stroming tegenhouden en een deel lood dat tussen beide wordt gemonteerd en dat voor de nodige soepelheid in het geheel zorgt.

Daarnaast kunnen nog de twee onderstaande loodtips toegepast worden:

  • Het "verklikloodje" is het precisiedeeltje van iedere lijn. De naam verklapt al zo´n beetje de functie van dit loodje; het dient om de aanbeet te verklikken. Omdat dit loodje het dichtst bij het aas zit, zal het ervoor moeten zorgen dat wanneer een vis het aas neemt wij dit onmiddellijk via de dobber waarnemen. In feite gaat deze redenering alleen maar voor de volle honderd procent op wanneer het verklikloodje tegen of op de bodem rust en de vis tijdens het nemen van het aas naar boven beweegt. Hij heft hierbij ook het verklikloodje op en de dobber komt iets hoger te staan: men spreekt dan ook wel van een "opsteker". Wanneer de vis het aas opzuigt en ermee wegzwemt, dan verdwijnt de dobber gewoon onder water.

    Een tweede, toch niet onbelangrijke functie van het verklikloodje bestaat in de presentatie van het aas. Hoe zwaarder dit loodje is, hoe strakker we het aas op de bodem verankeren. In normale omstandigheden staat het verklikloodje juist boven de verbinding onderlijn-hoofdlijn. Vissen we met een onderlijn van 20 cm lang, dan staat het verklikloodje op 20 cm van de haak. Dit is en blijft een startpositie en tijdens het vissen mogen we zeker niet aarzelen deze afstand aan te passen in functie van bijtlust van de vis. Hoe verder we het lood van de haak zetten, hoe soepeler de aaspresentatie wordt, maar de aanbeten zullen wel discreter worden. Met andere woorden, de totale gevoeligheid van de lijnopzet speelt een beduidende rol in de manier waarop een aanbeet wordt verklikt. Het heeft met andere woorden niet veel zin, de antenne vier centimeter boven het water te laten uitsteken en het verklikloodje op 40 cm van de haak te plaatsen. Als referentie inzake het gewicht van het verklikloodje in functie van het totale loodgewicht is een verklikloodje nr. 8 of nr. 10 ideaal in combinatie met een dobber die 1 gram lood op de lijn zet.
  • Welke hengelaar die de vaste hengel hanteert, heeft de wind nog nooit verwenst. Soms wordt het echt onmogelijk om de lijn perfect onder controle te houden. De wind is er dikwijls de oorzaak van dat wij het aas niet natuurlijk kunnen aanbieden. Door gebruik maken van een "achterloodje" kunnen we dit negatieve effect bijna voor de volle honderd procent uit de wereld helpen. Een "achterloodje" is een kleine loodhagel die achter de dobber, dus tussen dobber en de top van de hengel, op de lijn wordt gezet. Wanneer we een achterloodje combineren met een korte slag, dan kunnen we uitermate precies vissen... juist op de plek waar we gevoerd hebben en waar we regelmatig beet krijgen. De vaste regel is dat we een loodje nr. 10 op 10 cm. van de dobber plaatsen. Dit loodje helpt ook om de slag tussen dobber en top van de hengel snel te laten zinken zodat we de negatieve invloed van de wind onmiddellijk kunnen tegenwerken. Het gebruik van het achterloodje laat toe een drift te vertragen zodat de azende vis het aas niet met snelheid voorbij ziet fietsen. Het vissen met een achterloodje is zoals vele zaken in de hengelsport een kwestie van oefening. In ieder geval de moeite waard om het onder de knie te krijgen omdat het achterloodje heel wat windproblemen van een pasklare oplossing voorziet. Let wel het achterloodje maakt altijd deel uit van de totale uitloding. Dus wanneer bijvoorbeeld een nr. 10 als achterloodje wordt gebruikt dan dienen we van de uitloding onder aan de lijn een nr. 10 weg te nemen.


Loodverdeling in stilstaand water
Een piepklein loodhageltje op 25 cm van de haak als beetverklikker. De rest van het lood op een geruime afstand van de haak, zodat een aanbijtende vis niet direct de weerstand van het grote lood voelt als hij met het aas wegzwemt. Is het een moeilijke visserij dan is het beter om een gespreideloodzetting te gebruiken.

Loodverdeling in stromend water.
Lood is nodig om het aas op diepte te brengen en ondanks de stroming daar te houden. Hoe meer stroming, hoe meer lood (en dus een grotere dobber) we moeten gebruiken om het aas op diepte te houden en hoe dichter we het lood bij de haak moeten plaatsen. Bovendien doen we er goed aan het lood zoveel mogelijk op een plaats te concentreren.


Lijnen
Voor beginners zijn er in de handelkant en klare lijnen te koop. Maar voor de hengelsport die zelf aan de slag wilt gaan zijn er ook nylonlijnen te koop van verschillende merken, lengte en maten. Het is en blijft een feit: dunnere lijnen vangen nog altijd meer vis ! De hengelsportwinkelier zal je zekerkunnen zeggen welke lijnmontering het best is voor elke visserij. Als nylonsnoer zal menvoor de vaste hengel kiezen tussen 8/00 en 12/00. Vaak kan de weerstandvan de lijn ondersteund worden door het gebruik van een in het topeindingebouwd elastiek die onder belasting uit de top komt en de dril ondersteunt.












Zelf lijnen bouwen geeft echter vaakmeer voldoening. Voor de witvisvisserij met de vaste hengel zal mennaargelang het aas en de grootte van de verwachte vissen kiezen tussen haakje nummer 16 à 22 (hoe groter het cijfer, hoe kleiner de haak!). De onderstaande tabel kan als handvat worden gebruikt voor de keuze van de lijn.



In de competitievisserij vist menoverwegend met onderlijntjes maar voor beginners is een lijn uit één stukhet handigst. Het vissen met onderlijnen is een "must" om eenvoudig zonder verlies van de dobberafstelling van haak te wisselen. Het vissen met de onderlijn bespaart ook het verlies van de dobber tijdens het vast zitten aan een obstakel onder of bij sommige gevallen boven water.
In het geval dat je vast zit zonder onderlijn moet je maar afwachten waar de lijn breekt, en in het ergste geval breek deze de hengel. Als je een beetje geluk hebt dan ben je alleen de haak kwijt, dus moet je er een nieuwe haak aanzetten, opnieuw uitloden, en dan kan je weer vissen. Vis je met een onderlijn (altijd dunner of gelijk aan de hoofdlijn, meestal dunner) dan heb je dat probleem niet, want als je vast zit dan is de lijn die breekt altijd de onderlijn. Je onderlijnen hebben alle dezelfde lengte, dus knoop er een nieuwe aan en je vist in enkele minuten weer verder met de oude instellingen. De lengte van de onderlijn moet een ieder zelf bepalen , maar veel wordt een onderlijn van 30cm lengte gebruikt.
In het geval dat je het " verklikker loodje" dicht bij de haak moet hebben dan staat deze op 20 cm van de haak, wil je deze er verder vanaf dan schuif je dit gewoon omhoog.

Is je onderlijn b.v. 50 cm lang, dan kan je het verklikker loodje niet dichter dan 25 cm van de haak zetten zonder het loodje van de hoofdlijn af te halen en deze op de onderlijn te monteren. Dit heeft als nadeel dat deze montage de weer nodige vistijd verspeeld, en de lijn beschadigd. maar je kunt het altijd proberen.


Haken De beste haakjes zijn gemaakt uitverhard staal (carbonstaal met Vanadium), fijn, met speciaal behandelde scherpehaakpunt (elektrochemisch gescherpt). De moderne haken, die we bijhet vissen met de vaste stok gebruiken, worden in zeer grote hoeveelhedenen in grote verscheidenheid in fabrieken gemaakt. Bekendemerken zijn Mustad, Sensas, Gamakatsu, VMC en Sumo. Haken zijn ook verdeeld in genummerde maten en kunnen helaas wel per leverancierverschillen. Maar haak 1 is altijd de grootste uitvoering en alles met eenoplopend haaknummer is een kleinere haak. Samenvattend: haakje 20 isdus veel kleiner dan haak 8. Verder worden de verschillen in haken gevormd door de steel (met of zonder weerhaken), de punt, de weerhaak, oog of bled, kleur, algemene vormgeving, stand van de punt ten opzichte van de haaksteel, manier van scherpen van de punt, afwerklaag, basismateriaal, enz. Vandaar dat het niet altijd even gemakkelijk is om een exact juiste keuze te maken. Om bij de vis geen argwaan op te wekken moeten we ervoor zorgen dat ons aas zich luchtig in het water beweegt. Dit bereiken we allereerst, zoals eerder gemeld door een dunne lijn te gebruiken en in de tweede plaats door een kleine en dunne haak aan te knopen. Goede knopen zijn belangrijk, het zijn de zwakste schakels in de vislijn. Maak er een gewoonte van van elke knoop in nylon met een beetje speeksel te bevochtigen voordat hij wordt dichtgetrokken. Een natte lijn geeft minder wrijving en/of warmte en dus een betere knoop.
Een standaard regel die in de praktijkveel wordt aangehouden is:

  • Kleine vissen: kleine haak, weinig en kleinaas aan de haak
  • Grote vissen: grote haak, veel en grootaas aan de haak
  • Let wel op dat maden op de hiernaast weergegeven wijze op de haak wordt gezet. Men klemt demade met het dikke deel tussen duim en wijsvinger. Vervolgens druktmen op de made en men ziet aan de zijkant van dat dikke deel eenflapje uitstulpen. Prik hier de haak in en de made zal, omdat ze infeite niet gekwetst worden, gedurende lange tijd superlevendigblijven. Hoe levendiger de made, hoe aantrekkelijker voor de vis endoe dus er uw voordeel mee. Het is en blijft toch een goede gewoonteom vrij regelmatig aas te verversen.

Er zijn nog steeds volksstammen vissers die denken dat de haak bedekt zou moeten zijn. Deze haakmythe moet voor eens en voor altijd uit de wereld worden geholpen, het is namelijk veel beter de maden heel lichtjes door het platte uiteinde te prikken en de rest van de haak vrij te laten. Dit verkleint de kans op misslaan en de vis stoort zich absoluut niet aan een haak maatje 20. Laat die haak, als het even kan, dus vrij!
De weerhaak dient ervoor het aas goed op de haak te houden, maar vooral dat de aangeslagen visinderdaad aan de haak blijft, ook al is het onthaken moeilijker en vraagthet meer tijd. Veel hengelaars knijpen dan ook de weerhaak dicht met eentangetje, waardoor er toch een verdikking ontstaat, waarmee toch nogverkregen wordt dat de vis vaster zit aangeslagen. Wedstrijdvissersgebruiken meestal haken zonder weerhaak, omdat het onthaken sneller gaat en dientengevolge tijdwinst geeft. Het binnenhalen van de vis is dan weliets moeilijker, omdat de lijn geen ruimte mag hebben, waardoor de vis loslaat. Deze laatste soort haken hebbenook nog het voordeel, dat de verzwakking van de haakpunt door de weerhaakniet voorkomt, dus met de zelfde sterkte doorloopt en een kleinere haakkan worden gebruikt. Een zeer belangrijk punt is ook, dat de vis minderwordt beschadigt en sneller kan worden teruggezet, hetgeen helemaal pastin de hedendaagse opvattingen over het sportvissen. Reservehaakjes in verschillende grootten hebben we altijd bij ons, want tijdens het onthaken kan er wel eens een haakje worden verspeeld of krom gebogen. Haken kunnen bot worden en dan vervangen we deze direct door een nieuwe haak, want dit zijn de kosten niet !


Top van de vaste hengel
Lijndiktes van 10/100 of 12/00 mm zijn voor het witvissen met een vaste hengel heel gebruikelijk. Om deze dunnen lijnen heel te houden is een dunne soepele top noodzakelijk. Iedere vaste hengel wordt geleverd met en holle top. Het is een vaste regel dat de top van de hengel nooit als een deel wordt benoemd. Dit is handig om te weten indien men reserve delen bestelt of wanneer men een kapot deel moet vervangen. Hoe de top van een hengel nu juist moet zijn in functie van de rest van de hengel, daarover zijn de meningen verdeeld. In feite zijn er twee keuze mogelijkheden: een strakke top of een soepele top.

  • voor het vissen op voorn, vissen kort in de kant en het driftend vissen op stromend water verkiezen we een strakke, snel reagerende top.
  • vissen we op brasem en andere grote vissen, dan valt de keuze op een soepelere top.

Niets belet u van uw vaste hengels te voorzien van een serie strakke en een serie soepele toppen zodat u in alle omstandigheden optimaal kan vissen. In de holle top kan een elastiek gebouwd worden en voor het "trek- en sleurwerk" op brasem moet zo´n holle top zelfs niet omgebouwd worden.


Benodigdheden voor een elastiekmontage
Alhoewel het vissen met een vaste hengel in combinatie met topelastiek alweer de nodige jaartjes wordt beoefend door een legertje wedstrijdvissers, beginnen de voordelen nu ook tot de recreatieve sportvissers door te dringen. Het vissen met de vaste stok is waarschijnlijk de oudste vorm van hengelen die er bestaat. De werpmolen (en daarmee de werphengel), werd pas later uitgevonden. Sindsdien is er aan het principe van het vissen met de vaste stok niet veel veranderd. De materialen verbeterden weliswaar, maar het basisprincipe bleef al die jaren ongewijzigd: de lijn werd direct aan de hengeltop geknoopt (al dan niet met behulp van een toprubbertje en een paar kikkers). Daar is nu, met de komst van de elastiekmontage, verandering in gekomen...Door elastiek in de top of meerdere delen van een vaste hengel te monteren, is het mogelijk met een dunnere lijn kapitale vissen te landen waar normaal een hogere diameter aan de top moet geknoopt worden. Het is en blijft een feit: dunnere lijnen vangen nog altijd meer vis ! Omdat het elastiek ook als een soort schokdemper werkt, zal het haakje beschadigingen aan de vissenbek tot het absolute minimum beperken. U vist dus niet alleen subtieler (en dus effectiever), maar ook visvriendelijker.

  1. Elastiek
  2. Draadgeleider ("bung")
  3. Teflonbus ("bush") voor op de hengel
  4. Connector & Eindstop
  5. Smeermiddel
  6. Hengeltop
  7. IJzerzaagje en schaar
  8. Draad trekker ("tube treader")

1. Het elastiek is in diverse diktes en kleuren te koop bij de gespecialiseerde hengelsportwinkel. Omdat iedere fabrikant (oa. Bifa, Sensas en Arca) zijn eigen kleur aan een bepaalde dikte geeft, zijn deze dus geheel verschillend aan elkaar. Het elastiek moet perfect rond zijn, om goed door de perfect rond opening van de topbus te kunnen glijden. Topelastiek is er in verschillende diameters. Hoe dikker, hoe sterker, dat spreekt voor zich, maar... welke dikte kunt u het beste waarvoor gebruiken? Kijk voor de juiste keuze elastiek naar onderstaand tabelletje.Kijk dus voornamelijk naar de diameter die op de verpakking staat en deze kunnen bijvoorbeeld als volgt genummerd zijn:



Keuze van het elastiek:

  • 1-2-3 zijn alleen voor nylon tot een diameter van7/00
  • 4-5-6 zijn voor diktes van 6 tot 12/00
  • 7-8-9 zijn voor diktes van 8 tot 14/00

Alles boven elastiekmaat 9 is dus alleengeschikt voor de zeer zware visserij, zoals zeelt, giebel en karper.

De lijndikte is de dikte van de onderlijn (mits je een onderlijn gebruikt, anders hoofdlijn).

2.De draadgeleider ("bung") is de plastic bevestigingsdop of -trapje en wordt gebruikt om het elastiek aan de onderkant in de verschillende hengeldelen vast te zetten. Deze is verkrijgbaar in drie maten, geschikt voor respectievelijk top, eerste en tweede deel en kunnen zowel voor het inbouwen van elastiek in over- als insteekhengels gebruikt worden. Aan de open haak kunnen alle maten elastiek prefect vastgezet worden.

Voor het vastzetten vanhet elastiek in de hengeltop bestaan speciale pluggen. Het beste is om hetelastiek lichtjes opgespannen te monteren (10 tot 30 procent uitrekken).Om dat te bereiken is in de plug een opwikkelrekje gebouwd. Ze zijn er intwee verschillende maten, te weten nummer 1. en 2. Welke u dient te nemen,is afhankelijk van de diameter van de hengel. Voor de fijnafstellingkunnen er segmenten van de plug afgesneden worden. Op die manier bepaalt uzelf hoe diep het rekje precies in de hengel vast moet komen te zitten(meestal in het tweede of derde deel.)

3.Een ingebouwd elastiek kan enkel en alleen dan goed werk leveren als de top afgebouwd is met een teflonbus ("bush") en deze zijn verkrijgbaar in interne uitvoering voor inbouw (voorkeur!) en een externe als opbouw. Deze teflonbusjes hebben vooraan een conische opening met afgeronde rand die voor een maximale geleiding van het elastiek zorgt. Deze teflonbus wordt over het op juiste dikte afgezaagde topdeel van de hengel geschoven, want daar komt het elastiek later uit, en zorgt ervoor dat het elastiek er gecentreerd uitkomt.

Om te voorkomen dat het elastiek stuk schuurt op het scherpe randje van de hengeltop, dient u dat eerst met fijn schuurpapiertje lichtjes op te schuren. Vervolgens moet u er een speciale topbus op lijmen, een soort topoog voor de vaste hengel. Dat kan een bus zijn die u in de hengeltop steekt of eentje die er overheen valt. De meeste mensen zullen wel een keer slikken, voordat zij de zaag in hun hengel zetten, maar wees gerust, de topbussen zijn er, per model, in verschillende diameters.

De topbussen zijn niet bepaald goedkoop... Dat valt niet te ontkennen. U dient zich echter te realiseren dat het handgemaakte en individueel gecontroleerde precisieonderdelen zijn. Gemaakt van 100% PFTE (teflon), dat bekend staat om zijn zelfsmerende vermogen en supergladde eigenschappen. Want het elastiek kan zijn werk alleen naar behoren doen, als het vrij door het topbus kan glijden. Hoedt u daarom voor goedkope, plastic imitaties, want die werken niet of gaan kapot, waarna u opnieuw de zaag in uw hengel kunt zetten...

4.Connector en eindstop zijn nodig om het elastiek te spannen tussen het begin en het einde van de gebruikte topdelen en is afgestemd op de dikte in de top. Dit is de zekerste verbinding tussen elastiek en lijn van uw dobbermontage. Voor de montage van de nylon lijn aan het elastiek, zijn er speciale connectors, ook weer van eersteklas kwaliteit kunststof. Als er niet aan het elastiek wordt getrokken, valt de connector netjes in de topbus. De connectors en het elastiek zijn in corresponderende kleren verkrijgbaar. Er bestaan meestal 3 maten:

  • de "mini" voor elastiek tot 0,8 mm
  • de "medium" tot diameter 1,0 mm
  • de "large" tot 2,7 mm

Deze lichtgewicht connectors moeten perfect afgewerkt zijn en geen scherpe kanten hebben en dan is beschadiging van het elastiek totaal uitgesloten. Laat ongeveer een centimeter elastiek uitsteken als "reserve". Over de connector is een klein plastic ringetje geschoven, zodat de lijn gezekerd is. Tijdens het vissen zit de connector door de spanning van het elastiek tegen de teflonbus ("bush") op de hengel geklemd.
5. Smeermiddel of "slip voor elastiek" moet u steeds voor elke vissessie gebruiken om elastiek te smeren. Hiervoor moet het elastiek uit de top getrokken worden, laat een aantal druppels in de top lopen en vervolgens het elastiek terug in de top laten schieten. Dit smeermiddel zorgt ervoor dat het elastiek zonder horten of stoten door de vangst uit de top getrokken kan worden, is waterafstotend en verhoogt de duurzaamheid. Een veel gebruikt smeermiddel is "Future Fluo Tech Pole Elastic Lubricant", of een glijmiddel op basis van siliconen of "Super Glisse".

7. IJzerzaagje en schaar
Het elastiek wordt niet, zoals u gewend bent, met een gewoon nylon tuigje, aan de hengeltop bevestigd, maar er in! Bij het aanslaan en het afmatten van de vis, kan de vis het elastiek uit de hengeltop trekken. Dat houdt in dat:

  • het elastiek in de hengeltop vastgezet moet worden én
  • de hengel bij de top moet worden afgezaagd, om een opening te creëren. Het best gebruikt u hiervoor een fijn, scherp ijzerzaagje.

8.Een tube treader is een stukje staaldraad, waarmee het elastiek door de top en eventueel het tweede of derde deel van de hengel trekt. Je hebt deze threader echt nodig omdat het geleiden van het elastiek door de top een hels karwei kan zijn, vooral wanneer de top aan de binnenkant vochtig is. Een handig hulpmiddeltje, waar u niet buiten kunt!

TIP 1: Voor elke vissessie is het noodzaak om het elastiek te voorzien van slip (dit wil er nog wel eens voor zorgen dat het elastiek wordt aangetast) of gebruik gewoon het water waar je in vist (monteer lijn met dobber aan de connector, steek top onder water en trek een paar keer aan de lijn, het elastiek komt nu uit de top en wordt nat door het water). Dit om het soepel door de telfonbus te laten lopen. Gebruik je dit niet dan bestaat de kans dat het elastiek niet of nauwelijks uit de hengeltop komt en je de aanbeet verspeelt. TIP 2: Vist men met elastiek, dan kan men het volgende "driltrucje" toepassen. Tijdens de dril brengen we snel de hengel naar benden zodat de spanning op het elastiek voor een deel wegvalt en met een snelle beweging zetten we de volle spanning terug op het elastiek.


Montage van het elastiek
We nemen de hengeltop en zagen er een stukje vanaf (5 cm). Nu ontstaat er een gat in de hengeltop. Dit gat moet groot genoeg zijn om het elastiek er door te laten lopen (ongeveer 1 mm). We gaan nu met het hengeltopje naar de hengelsportwinkel en kopen daar op maat (er zijn verschillende diktes te koop) voor je hengeltop een teflonbus (voor op de top om beschadiging van het elastiek te voorkomen) en een eindstop. Het elastiek en de connector kan je daar ook direct halen. Een handig hulpmiddel is een speciale trekveer voor elastiek, hiermee kan je eenvoudig het elastiek door de hengeltop halen. Nu gaan we pas echt beginnen door eerst de teflonbus vast op de hengeltop te zetten (eventueel een druppel secondenlijm gebruiken) en daarna montage van de connector.

Montage van de connector:
De connector bestaat uit 2 delen: het beschermkapje en de connector zelf.

  • Haal het beschermkapje van de connector (zit aan de achterkant).
  • Schuif het beschermkapje over het elastiek.
  • Haal het elastiek door de connector (gat in de achterkant)
  • Trek het elastiek strak zodat deze in de connector dun wordt.
  • Haal nu het doorgestoken eind weer door hetzelfde gat zodat er een lus ontstaat. Zie afbeelding rechts.
  • Haal nu de connector door de lus en trek het geheel aan.
  • Trek nu het geheel strak aan zodat de situatie op de 2 onderstaande tekeningen bereikt wordt
  • Het kan nu echt niet meer losschieten)!






Je zou nu al het beschermkapje kunnen terugschuiven, maar als je niet zeker bent over de knoop kan je hem nog borgen. Dit doe je door er een "dubbele oudewijvenknoop" in te leggen.








Dan de boel strak trekken (met de dubbele knoop erbij gaat het een stuk lastiger, knoop wil steeds los), het korte einde op 3 mm na eraf knippen en het beschermkapje erover.






Montage van de eindstop:
Pak nu de hengeltop en rol het elastiek uit. Houdt de connector bij de teflonbus en knip het elastiek af op een lengte die 5 cm korter is dan de hengeltop. Aan het einde van het elastiek maken we een lus d.m.v. een "oude wijvenknoop".

Stop nu de trekveer ("threader") vanaf de achterkant in de hengeltop. Als de veer door de top is klemmen we de lus met "oudewijvenknoop" aan de veer. Trek de veer weer terug zodat het elastiek er aan de onderkant van de top weer uitkomt. Nu pakken we het eindstuk en zetten deze vast aan de lus. We laten het geheel voorzichtig schieten en we zijn nu in principe klaar om te vissen.

Maar voorzie eerst het elastiek ruimschoots van smeermiddel. Ook de voorkant wordt goed ingesprayd, het elastiek nu enkele malen goed uittrekken zodat het smeermiddel over het hele elastiek verdeeld wordt. Het elastiek moet nu iedere keer vlot tegen het topbuisje knallen, bepaal de spanning aan de hand van de lijn waar je mee vist en de te verwachten vis.


Andere benodigdheden

  • Een breed schepnet met een fijnmazig net (micromesh)en metlange steel. De lengte van de steel van het schepnet moetaangepast zijn aan de vis-omstandigheden. Het spreekt voor zich dat wevanuit de boot een kortere steel zullen gebruiken dan wanneer we op desteile oever van een kanaal een vis moeten landen. Kijk regelmatig deverbinden schepnet en steel na. Moet men regelmatig een korte steel en danweer een lange steel gebruiken, dan kiest men het best voor een insteek-of oversteekmodel. Deze zijn op elke gewenste lengte te gebruiken.
  • Een viskoffer om je spullen in op tebergen. Handigst is een model dat ook als zitje kan dienen en waarje je hengelsteunen kan aan bevestigen;
  • Een leefnet dat niet noodzakelijkis, maar als je het toch gebruikt, dat uit zeer fijnmazige stof moetgemaakt zijn en zeker voldoende diep en met stevige beugels.
  • Enkele speciale aasdozen.
  • Een hengel foedraal waarin je dehengels, het schepnet en eventueel een paraplu kan opbergen.


Aanschaf en gebruik vis plateau
De tips omtrent de aanschaf van een nieuwplateau, en attributen zijn:

  • Kies het plateau zo groot mogelijk (qua oppervlak), want je moet er uren achtereen op vertoeven en dan is elke vierkante cm bewegingsruimte welkom.
  • Een lichte voorkeur gaat uit naar een bodemplaat met een open structuur, want die zijn in het algemeen wat lichter, en er blijft geen water op staan. Het is wel dat een plateau met traanplaatbodem wat steviger is, en dus meer gewicht kan dragen, en wat stabieler is.
  • De voetjes onder de poten dienen een zo groot mogelijk oppervlak te bezitten om wegzakken in een modderige ondergrond zo veel mogelijk te voorkomen.
  • Let op of de gaten waar de poten in vastgeschroefd worden voldoende recht geboord zijn, want dat komt de stabiliteit ten goede als de bodemplaat hoog ingespannen wordt.
  • Probeer / controleer alle schroefbare verbindingen, en let met name op het schroefdraad, want dat is niet altijd even goed afgewerkt.
  • Wat ook erg handig is een aluminium zijtafeltje, welke tussen twee poten vastgeschroefd kan worden.
  • Als voerbak zijn goede ervaringen gemeld met een mini 'afwasteiltje' plus bijbehorende plateau-bevestigingsring. Met name tijdens het feedervissen heeft het zijn nut bewezen.
  • De steun tbv het leefnet zo stevig mogelijk, want als er bv 40 kg vis in het net zit (is echt mogelijk!), en er staat een behoorlijk wat stroming, dan komt er veel kracht op het bevestigingsmateriaal te staan.
  • Let bij alle steunen erop of alle mechanische verbindingen tussen de verschillende onderdelen deugdelijk in elkaar steken, want er zit nogal wat knoeiwerk tussen.

  • In het algemeen is er standaard een set hengelsteunen aanwezig bij de aanschaf van een plateau, echter niet altijd, dus let hier op!
  • Probeer alle bewegingen / handelingen geconcentreerd te doen als je gebruik maakt van een plateau, en zorg dat deze stabiel en enigszins waterpas staat opgesteld. Het valt in het begin (bijna altijd) tegen, maar op ten duur ga je er aan wennen, en wil je hem voor geen goud meer missen!
  • Zorg er voor dat het weinig gebruikte materiaal naast het plateau, echter wel binnen handbereik ligt.
  • Test van te voren of het plateau niet omkiept als je de hengel op volle lengte bij enige wind in de hengelsteunen hebt liggen, anders is het leed niet te overzien.
  • Als je op het plateau gaat staan of zitten, doe dat dan rustig want de trillingen die daarbij gegenereerd worden planten zich erg goed voort, en verjaagt de vis.


Tenslotte
Hengelsport is en blijft een fascinerende hobby. Geen enkele visdag is dezelfde en we weten nooit echt op voorhand wat ons die visdag te wachten staat. We starten altijd met een bepaalde verwachting, maar of die zal ingevuld worden, hangt van heel wat factoren af. Zo kunnen wij wij als hengelsporter nooit het weer bepalen en nog minder de bijtlust van de vissen. Wat we wel kunnen, is zorgen dat aas, lokaas en hengelsportmateriaal tiptop in orde zijn. Gewoon niets aan het toeval overlaten en ieder visdag op de best mogelijke manier voorbereiden. Een groot deel van het succes aan de waterkant is te zoeken in de tijd die men investeert om een visdag tot in de puntjes te plannen en ervoor zorgen dat men alles bij de hand heeft.