Half Water Vissen

Inleiding
Over het algemeen wordt er in Nederland op of tegen de bodem gevist. In veel gevallen is dit een goede keuze, maar vaak zal je op "half water" meer vis vinden dan op de bodem. De hoogste tijd dat we de dobber ook omlaag durven zetten. Het vissen boven de bodem is minder bekend, maar niet minder succesvol. Vooral op warmere dagen is deze methode onverslaanbaar.

Om tussen de oppervlakte en bodem te vissen is lef nodig, lijkt het. De vaste grond is onder je aas verdwenen en we moeten er op vertrouwen dat ook een zwevende aasaanbieding succesvol kan zijn. Vooral wanneer de temperaturen omhoog gaan en de vis actiever wordt, beginnen ze van de bodem "los te weken". Om de vis nu achter de schubben te komen, moeten we de conventionele "bodemdenkerij" laten varen en een nieuwe weg inslaan en de volgende twee principes hanteren.


Dobber keuze
Het klinkt een beetje vreemd, maar een klein assortiment van dobbers die je goed kent, is beter dan een scala aan dobbers met allemaal verschillende eigenschappen waar je telkens opnieuw aan moet wennen. Twee dobbertypes zijn toereikend. De eerste dobber is een slanke dobber met een carbon onderantenne voor windstil en vlak water. Wanneer je deze dobber met een drijfvermogen van 0,2 - 0,3 en 0,4 gram in je viskist hebt liggen, is dat ruim voldoende. Het algemene advies is om een hoofdlijn van 10/00 en een 20 cm lange onderlijn van 8/00 mm te gebruiken. De loodzetting bestaat uit een ketting van knijploodjes die regelmatig over de lijn verdeeld zijn. Op deze manier krijg je een natuurlijk afzinkend aas, en met een beetje oefening bespeur je ook aanbeten tijdens het afzinken.



De tweede dobber is peervormig en heeft een stalen onderantenne. Deze wordt ingezet bij winderig weer en stroming, omdat deze stabieler in het

water staat. De lijn en onderlijn zijn hetzelfde als bij de eerste montage, maar de loodzetting is wel wat anders. Vier centimeter boven de onderlijn plaats je drie loodhagels nr. 12, waarboven je op gelijke afstand de rest van de hagels plaatst. De haak moet niet al te groot zijn, maar wel ijzersterk en daarom kies je voor de maat 18 tot 22. Deze lijken misschien klein, maar ze pakken echt niet minder snel vlees dan grote haken.


Lokvoer Het voer dat gebruikt kan worden is ook helemaal anders dan het reguliere bodemvoer. We moeten een wolkerig voer gebruiken dat lang in het water blijft hangen en de vis nieuwsgierig maakt. Om dit voer te verkrijgen, voeg je zemelen, aardappelvlokken of maniok (zeer fijn) toe aan je voer en laat je de zwaardere bestanddelen weg. Je kunt natuurlijk ook een pak voorverpakt oppervlaktevoer kopen. Wat je ook doet, zorg er altijd voor dat het voer door een zeef met fijne mazen duwt. Als finishing touch voeg je nog een mestpuntje boiliekleurstof toe door het voer. Het voornaamste is dat een licht voertje bijna geen verzadigingswaarde heeft voor de vis. Dat wil zeggen dat ze lang op de voerplek blijven hangen en steeds zin in meer eten hebben. De boiliekleurstof zorgt voor een nog wolkender effect wat nog meer vis aantrekt.


Consistentie
Wat de consistentie betreft, kunnen we twee kanten op. De ene methode is om het voer zo droog mogelijk te houden dat het al aan de oppervlakte uit elkaar spat. Aan de andere kant kun je het voer zover aanlengen met water totdat je een dikke brei krijgt. Dit voer klapt weliswaar hard op het water, maar wolkt meteen na de tewaterlating langzaam uit in het water. Uiteraard moet het voer ook de nodige levendigheid hebben, om dit te bewerkstelligen voeg je ook maden toe. Niet teveel want de meeste werp je in een constante stroom naar je voerplek. Bij een gemiddelde visdag gebruik je ca. één liter maden, maar verwacht je veel karper dan neem kan je er nog één liter bijnemen. Naast maden werp je ook casters bij, een halve liter "zinkers" en een halve liter "zwevende" casters zijn ruim voldoende.


Type casters
Voor het voeren van maden en casters kan je een katapult gebruiken, maar een werppijpje is ook voor dit doel geschikt. "Zwevende" casters zijn geschikt voor windstille dagen en water zonder vervelende onderstroming. De zwaardere, zinkende casters kun je ook bij zwaarder weer en onderstroming gebruiken. Hoe harder de caster des te beter hij blijft drijven, de zinkende casters zijn nog erg week van binnen en hebben een lichtere huid. Omdat de oudere, lichte casters zo hard zijn, kun je ze erg gebruiken als haakaas. De voerplek is inmiddels opgebouwd en we kunnen gaan vissen. Om het afsteken van de hengel te vergemakkelijken, worden twee rollers gebruikt. Het voer kan droog gehouden worden en vijf bolletjes te grootte van een pingpongbal worden op de stek gegooid. Aan de oppervlakte wolken ze al meteen uit elkaar, het kan niet lang duren of de eerste vis komt hier op af.


Bijschieten van maden Direct hierna kan gestart worden met het schieten van maden. Bij een normaal witvis bestand kunnen telkens een stuk of tien maden op de stek worden geschoten en bij veel karper kan deze hoeveelheid verdubbeld worden. De intervallen waarmee geschoten wordt moet je aanpassen aan de regelmaat van beten die je krijgt: hoe meer beet, hoe vaker geschoten moet worden. Wanneer je met een lange hengel van ca. 13 meter vist kan je de maden telkens voor de hengeltop schieten. Dit doe je omdat de vis over het algemeen van achter de voerplek naar je toe komt. Wanneer de vis dus naar de stroom maden zwemt, stoot hij zeker óók tegen het haakaas.


Losse flodder
Ook professionele vissers lossen af en toe een losse flodder. Dat wordt gedaan om de vijf minuten, op deze manier wordt de vis die verder weg zwemt geattendeerd op de lekkernijen. Het advies is om een voerkatapult te gebruiken met een niet al te sterk elastiek. Op die manier heb veel meer gevoel met de katapult en zul je minder vaak misschieten. Een probleem met een kettingbezetting van het lood, is dat je gemakkelijk in de war gooit. De beste manier is gewoon rustig en beheerst ingooien, de hengels aansteken, nogmaals opheffen en dan rustig opnieuw inzetten. De beet kenmerkt zich door het plat blijven liggen van de dobber, of flauw wegzeilen ervan. De lichte dobber maakt het mogelijk om ook de beten tijdens het afzinken te zien. wanneer in de loop van de tijd meer beten krijgt tijdens het afzinken, dan kan de dobber ondieper worden afgesteld en de opslag moet nu ook kleiner worden gemaakt door de lijn in te korten.


Enkele trucs