|
|
|
De brasem is één van de in Nederland meest voorkomende zoetwatervissen. Een korte blik op de bek van de brasem is voldoende om te zien hoe hij eet. Met zijn onderstandige uitschuifbare bek zuigt hij talloze waterdiertjes en ander voedsel van de bodem af. Brasem is een scholenvis die door rijkelijk aan te voeren heel goed naar de visstek te lokken is. |
Lees meer...
|
|
|
|
|
De karper varieert in kleur, vorm en manier waarop de schubben op het lijf zitten en heeft vier tastdraden om de bek: twee grote bij de mondhoeken, twee kleinere op de bovenlip. De rugvin is lang en hol ingesneden. Een volledig geschubde karper van het "wildtype" heeft 35 tot 40 schubben op de zijlijn. De vis kan in gevangenschap tientallen jaren oud worden. |
Lees meer...
|
|
|
|
|
Iedere hengelsporter heeft vast wel eens van de snoek gehoord. Deze vis leeft in diepe donkere wateren waarin veel waterplanten aanwezig zijn. De snoek is een zeer mooie vis en hij doet geen mens kwaad. Hij zou wel gek zijn als hij ons kwaad zou doen. De snoek heeft grote ogen en een grote bek. De snoek is een roofvis dat betekent dat hij allerlei dieren verslindt. Maar wees maar niet bang dat de snoek de mens verslindt, want dat doet hij niet. |
Lees meer...
|
|
|
|
|
De snoekbaars is een baarsachtige; net als de baars heeft hij twee gescheiden rugvinnen, waarvan de voorste met harde stekels. De snoekbaars is echter langwerpiger; met een grote bek waarvan de kaaklijn tot onder het oog doorloopt. Net als de baars is de snoekbaars gebandeerd (8-10 banden), maar bij oudere snoekbaars wordt deze bandenring meer vlekkerig. De snoekbaars is in het algemeen lichter dan de baars, meer groen of grijsbruin. |
Lees meer...
|
|
|
|
|
Ons land bezit van oudsher vele ondiepe wateren. Naast de natuurlijke wateren - zoals oude rivierlopen - werden ook vele wateren door toedoen van de mens gevormd. Voorbeelden hiervan zijn de plassen In de veengebieden, die door het winnen van turf ontstonden, en de sloten in de polders, die gegraven werden om de aan- en afvoer van water te regelen. Zij vormen een onmiskenbaar onderdeel van ons typische Hollandse polderlandschap. |
Lees meer...
|
|
|
|
|
Een schoolvoorbeeld van vergane glorie, dat is de blankvoorn. Eens was hij de belangrijkste sportvis uit onze wateren. Tot de mens, weer eens, ingreep en massaal begon met het uitzetten van tonnen en nog eens tonnen grote en kleine brasem. Men werd plots verliefd op grote brasems. Deze zette men uit omdat brasem heel wat goedkoper was dan de blankvoorn. Ook omdat ze makkelijker kunnen gevangen worden en omdat brasem ook flink doorweegt bij de wedstrijdvisser. |
Lees meer...
|
|
|
|
|
De Baars heeft twee gescheiden rugvinnen, waarvan de voorste met harde stekels en een zwarte vlek. Over de flanken lopen zes tot acht donkere banden. De rug is groenbruin, op de flanken overgaand in lichtbruin tot geel of goudkleurig. Afhankelijk van de vindplaats en de grootte verschillen de kleuren. |
Lees meer...
|
|
|
|
|
De paling is een slangvormige vis. Verwarring met de rivierprik is nauwelijks mogelijk, omdat prikken zeven duidelijke zichtbare kieuwspleten hebben. Moeilijker is het onderscheid met de congeraal of zeepaling (Conger conger), omdat de gewone paling ook in de Noordzee voorkomt. Een onderscheid is dat de paling een onderkaak heeft die langer is dan de bovenkaak (bij de conger steekt de bovenkaak uit) en de rugvin van de congeraal is langer. De kleur van de paling varieert naar leeftijd en plaats. Als ze goed gevoed worden, kunnen palingen een lengte bereiken van 1.20 meter met een gewicht van 3 á 4 kilo. Maar op deze regel bestaat een uit zondering. Paling die in geheel afgesloten water (b.v. meren) leven kunnen nóg groter en in het algemeen veel zwaarder worden. |
Lees meer...
|
|
|
|
|
Deze rustige waterbewoner met een robuust uiterlijk behoort tot de familie van de karperachtigen (Cyprinidae). De zeelt wordt ook wel "Groene Karper", "Muithond" en in de "Betuwe Louw" genoemd. In het Latijn "Tinca tinca". De zeelt heeft een vrij kort en hoog lijf, dat bedekt is met heel kleine schubben. Deze zitten diep in de onderhuid en eroverheen zit een dikke, slijmerige opperhuid. Soms treft men exemplaren met een praktisch naakte huid aan. De zeelt is overwegend groen: de rug is fraai olijfgroen, de zijden zijn bruin- tot grijsgroen met een gouden glans. De buikzijde is veel lichter en de bolronde vinnen zijn donker. De Zeelt heeft ook een paar baarddraden op zijn mondhoeken waarmee hij de bodem aftast naar voedsel. Zijn kleine ronde ogen spelen daarbij geen rol van betekenis. Zijn voedsel bestaat uit muggenlarven, slakjes, watervlooien en kreeftachtigen. |
Lees meer...
|
|
|
|
|
Juist en goed voeren is één van de hoekstenen van succesvol vissen. Het maakt niets uit of er met de vaste hengel, match- of andere hengels sportief achter de schubben van de vis gezeten wordt. Feit is: de hengelaar die zijn visvoerplek niet honderd procent opbouwt en onderhoud, ziet de kansen op een geslaagde visdag wel sterk slinken. Zo simpel is dat nu eenmaal. |
Lees meer...
|
|